Wat staat er in het Protocol Cognitief sterk functioneren over onderpresteerders?

In alle fasen van het zorgcontinuüm en het theoretisch deel van het protocol komt onderpresteren impliciet of expliciet aan bod, met regelmatig verwijzingen naar interessante lectuur over dit thema. Zo bespreken we in het theoretisch deel twee vormen van onderpresteren: absoluut en relatief onderpresteren. Bij absoluut onderpresteren presteren leerlingen onder het gemiddelde en dus minder goed dan (de meeste van) hun leeftijdsgenoten. Deze vorm valt het snelste op. Bij relatief onderpresteren presteren leerlingen gelijkwaardig aan of beter dan hun leeftijdsgenoten, maar minder goed dan wat er op basis van hun mogelijkheden verwacht mag worden. 

Een mogelijke verklaring voor onderpresteren kan bijvoorbeeld liggen bij de mindset van de leerling. Vooral wanneer de leerling plots voor meer of grotere uitdagingen komt te staan, kan de manier waarop hij hierop reageert (afhankelijk van zijn mindset of overtuigingen) een trigger zijn voor onderpresteren. Daarom is het belangrijk om reeds van in de lagere school voldoende uitdaging te voorzien. 

Bij (vermoeden van) onderpresteren is het extra belangrijk om andere onderzoeksmethoden te gebruiken dan meting om de verschillende elementen van het geïntegreerd werkmodel in kaart te brengen. Ook de context moet zeker meegenomen worden als mogelijk belemmerende factor in het geval van onderpresteren. Komt de context voldoende tegemoet aan de behoeften van autonomie, betrokkenheid en competentie van de leerling? Sluit de context voldoende aan bij de zone van naaste ontwikkeling en interesses van de leerling?